Toscane. Waar elk uitzicht eruitziet alsof het net geposeerd heeft voor een postkaart. Waar je dacht dat je ging ontspannen, maar ineens drie musea per dag doet omdat “we toch in de buurt zijn.”
De dag begint steevast met een cappuccino die zó lekker is dat je jezelf afvraagt waarom je thuis überhaupt koffie drinkt. Je slentert door een middeleeuws dorpje met klinkende namen als San Gimignano of Montepulciano, waar elk steegje je verleidt met gelato en je portemonnee met keramiek die je thuis nooit durft neer te zetten.
Lunch? Simpel. Tomaten die écht naar tomaat smaken, prosciutto die fluistert “leef een beetje,” en brood zo hard dat het stiekem een wapen zou kunnen zijn. Daarna volgt de traditionele Toscaanse siësta, ook bekend als: “waarom zijn alle winkels gesloten net nu je zin hebt in slippers en een fles olijfolie?”
‘s Avonds trek je naar een osteria waar de wijn vloeit als poëzie en de pasta arriveert met zoveel liefde dat je overweegt om hem een naam te geven. Je probeert de lokale taal (meestal met handen en onbedoelde Franse woorden) en merkt dat “Grazie!” universeel werkt als charme.
En dan komt de magie: een zonsondergang over de glooiende heuvels, terwijl je in een plastic stoel op een terras zit en beseft… Toscane is niet perfect. Het is stoffig, heet en chaotisch maar o zo heerlijk echt. Je bent er geen toerist. Je bent een tijdelijke Italiaan met zonnebrand op je neus en een ziel vol risotto.